“Mam, waar zijn mijn rooie schoenen?”
De stem van Kim schalde door het trappenhuis alsof ze auditie deed voor de rol van haar eigen leven.
“Achter de schotten op zolder, waar anders!”, riep haar moeder terug, terwijl ze druk was met glazen pouleren en door de telefoonhoorn kletste met haar Tante Aal.

In Café Blauw, drie verdiepingen lager, zat Cor Blauw zoals altijd aan de verkeerde kant van zijn eigen bar.
Hij heette officieel Cornelus Fransiscus Blauw, maar niemand noemde hem zo. Nou ja, behalve Jook als ze weer eens kwaad op hem was. Voor de stamgasten was hij gewoon Cor, voor oude vrienden uit de muziekwereld die Blauwe.
Cor begon ooit als glazenwasser. Hoog in de lucht, met een emmer sop en een grote mond. 

Tussen het lappen zong hij het hoogste lied. Niet zachtjes — nee, Cor zong alsof de stad speciaal voor hem gebouwd was. Af en toe maakte hij uitstapjes naar de entertainmentwereld, waar hij leerde dat een goed liedje soms meer oplevert dan een hele dag ramen wassen.
Hij was zelfs nog een tijdje bevriend met Herman Brood. Avonden vol rook, creme de menthjes, ideeën en beloftes. Cor had meegeschreven aan Saturday Night en Never Be Clever, en elke maand als de royalty’s binnenkwamen, zei hij steevast:
“Zie je wel, Jook? Talent roest niet.”

Jook rolde dan met haar ogen.
Jook Blauw was namelijk van een ander kaliber.
Hard werken, doorpakken, niet zeuren.
Overdag hield ze het café draaiende. ’s Avonds draaide ze extra diensten in de zorg. En ergens diep vanbinnen droomde ze soms terug naar vroeger — toen ze nog op grote podia stond, in felle lampen, tussen veren, orkesten en overdreven applaus. Toen ze meedeed aan de grote dinnershows van Van den Ellende en Marc Porno, en iedereen haar naam kende.
Nu kende iedereen vooral haar koffie.

En dan was er Kim. Hun dochter. Altijd onderweg, altijd plannen, altijd dromen.
Kim had de stem van haar vader en de discipline van haar moeder. Elke week sleepte ze zichzelf naar audities: toneel, dans, cabaret, musical — alles wat maar rook naar podium en spotlights.
“Ooit sta ik daar,” zei ze altijd, terwijl ze naar de posters in haar kamer wees en haar ouders geloofden haar. Heilig.
Die avond stond Café Blauw op z’n kop.

De stamgasten zaten al klaar, de lampjes brandden, de tafels stonden vol borden en glazen. Op een klein geïmproviseerd podium stond een microfoon te wachten.
“Dames en heren,” riep Cor met een stem die hij normaal alleen gebruikte als Ajax won,
“welkom bij de leukste dinnershow van Amsterdam!”
Jook keek naar de volle zaak, Kim stond klaar achter het gordijntje, en buiten reed de tram voorbij alsof hij even wilde luisteren.
In dat kleine kroegie, tussen bier, dromen en Amsterdamse bravoure, begon iets wat groter was dan ze zelf doorhadden.
En boven, op de trap, klonk opnieuw een stem:
“Mam… waar zijn mijn rooie schoenen?”